Neurochirurg Guido Dua:

Niks doen voor een patiënt druist in tegen de essentie van het beroep van arts, zo lijkt het. Exact, zegt Dua. En vroeger dacht hij er misschien ook zo over. Tot hij ooit een patiënt had die ontzettend aan het lijden was. Het was nog voor de euthanasiewet, maar de man vroeg wel aan Dua om zijn leven te beëindigen. Dua voerde uit wat hij vroeg, maar voelde zich er niet gelukkig bij. Dat zei hij ook tegen de zoon van die man, toen die hem bedankte voor de goede zorg. ‘Ik zei: “Maar hier heb ik niet voor gestudeerd. Ik heb gestudeerd om mensen te genezen.” En toen wees die zoon mij terecht. Hij zei: “Nee, dokter, u hebt niet geleerd om mensen te genezen, maar om mensen te helpen en dat hebt u net gedaan.” Dat ben ik nooit vergeten. Hij had gelijk.’


Transplantatiechirurg Diethard Monbaliu:

Over de vraag wat de balans is tussen de positieve en de negatieve ervaringen in zijn werk, moet hij niet lang nadenken. Het is een positief verhaal, zegt hij. ‘Anders zou ik het niet volhouden. 90 à 95 procent van de patiënten verlaat onze afdeling met een nieuw orgaan. We krijgen geboortekaartjes van mensen die hier een nieuwe nier of lever kregen. Het is een heel dankbaar beroep.’

Monbaliu groeide op in Bredene en Oostende. En nog altijd zit deze anekdote in zijn achterhoofd. Het is hoogwater, een jongetje loopt langs de vloedlijn op het strand en gooit de aangespoelde zeesterren weer in zee. Er komt een man voorbij en die bekijkt meewarig wat het jongetje doet. ‘Het heeft geen zin,’ zegt de man, ‘er liggen wel duizend zeesterren op het strand.’ ‘Jawel,’ zegt het jongetje, ‘voor elke zeester die ik heb teruggegooid maakt het wel een verschil.’ ‘Ik weet niet waar ik dat verhaal vandaan heb, maar het past bij wat ik doe. Je kunt niet iedereen redden. Maar af en toe red je mensen die er niet meer geweest zouden zijn.’


Hematoloog Tessa Kerre:

Ze ziet het meer en meer: jonge, erg verstandige en waardevolle collega’s die het ziekenhuis heel graag zou willen houden, maar die de werkdruk en de eisen die gesteld worden te hoog vinden en naar een kleiner ziekenhuis gaan. ‘Intellectueel gezien zetten ze dan misschien een stap terug. Ze zullen minder complexe patiënten zien, zullen aan een aantal baanbrekende studies niet kunnen meedoen, kunnen niet lesgeven en geen onderzoek doen. Maar het is een keuze en iedereen moet voor zichzelf uitmaken waar hij het gelukkigst van wordt. Soms frustreert het mij, ja. En het frustreert me nog meer als ik merk dat het vooral vrouwen zijn die zo’n keuze maken. Anderzijds betrap ik mezelf erop dat het me wel aan het denken zet. Ik zet die stap niet, ben ik dan een slechte moeder?’

Nee, weet ze zelf, dat is ze niet. Aan de schoolpoort heeft ze dan wel bijna nooit gestaan, haar man stond er wel, of haar ouders, of haar schoonmoeder. Bovendien heeft ze ooit ook een jaar in een niet-universitair ziekenhuis gewerkt en ze was daar doodongelukkig, vertelt ze. ‘Hier word ik gestimuleerd om te graven en sta ik aan het uiteinde van de lijn. De moeilijkste gevallen komen bij ons terecht. Dat geeft ook stress, want ik kan patiënten niet meer doorsturen. Maar ik zou niet anders meer willen.’