Onderneemster Anne Chapelle, 2 september 2017

 ©Jef Jacobs @ Initials LA

©Jef Jacobs @ Initials LA

U bent in 1994 de modewereld binnengestapt, toen Ann Demeulemeester u vroeg om de zakelijke leiding van haar bedrijf op u te nemen. Wat is de belangrijkste evolutie in de mode die u hebt meegemaakt?

“Vooral de eerste vijftien jaar vond ik heel interessant. Ann was een revolutionair. Heel indrukwekkend hoe ze nieuwe uitgangspunten vond en een compleet nieuw verhaal bracht. De Zes van Antwerpen deden dat allemaal. Iedereen dacht: er gebeurt iets in dat land. Dat zie ik vandaag niet meer. Vandaag worden de dingen niet meer van nul uitgevonden, maar snoept iedereen van elkaar. Laf, vind ik.”

Misschien is alles al gedaan?

“Kijk, een broek en een jas moet je niet meer uitvinden, en aan de anatomie van de mens zul je ook niks kunnen veranderen. Maar je kunt wel een bepaalde visie hebben, en die visie tot leven laten komen in je ontwerpen. Als je sterk bent, kun je dat, wat de tijdgeest ook is. Vandaag is de tijd zelfs meer dan ooit rijp voor nieuwe dingen. Maar niemand waagt zich eraan. Iedereen blijft hetzelfde doen. Waarom? Er is geen geld. En dus geen reserve voor risico. Veiligheid is vandaag belangrijker dan je nek uitsteken.

(...) 

In uw voorlaatste pleeggezin was er sprake van emotioneel en fysiek misbruik. Op uw achttiende besliste u om er te vertrekken. Dan moet er ergens in u toch een basis zijn die u de nodige kracht gegeven heeft om dat te doen. Heeft uw moeder die basis gelegd?

“Ik denk dat ik een heel vrolijke kindertijd gehad heb en dat wij best een goed gezin waren. Op een gegeven moment liep het gewoon mis omdat mijn moeder onverwacht stierf, en omdat mijn vader niet voor mij en mijn zeven broers en zussen kon zorgen.

“Ik heb dus inderdaad een goede wortel in mij. Al die rotzooi die mensen in mij veroorzaakt hadden, dat was niet mijn eigen rotzooi. Toen ik dat besefte, heb ik beslist om het achter mij te laten. Ik denk dat het mijn meest kwetsbare moment ooit was, want ik wist niet waar naartoe. Om vijf uur ’s ochtends heb ik een deur opengedraaid, heb ik een sleutel achtergelaten op een kast, en ben ik op mijn rode fiets naar het station gefietst. Ik had veertig frank (1 euro, red.) in mijn portemonnee, en daarmee heb ik een ticket naar Mechelen gekocht. Ik had beslist om er bij het klooster aan te bellen. Daar gaan ze je niet laten buitenstaan, dacht ik. Het was juist gedacht. Ze hebben mij binnengelaten.

“Ik heb dan een jaar bij de nonnen gewoond. Ik kon er naar hun school voor verpleegkunde gaan. Het was de enige opleiding die ze hadden, maar ik was er tevreden mee. Ik kreeg eten en drinken, en ik was vrij. Eindelijk hoefde ik mij niet meer constant vernederd te voelen.

“Van mijn pleegouders moest ik tijdens de vakanties gaan werken op een markt, en het geld dat ik verdiende moest ik afgeven. Iets voor mezelf kopen, heb ik nooit kunnen doen. ‘Je mag blij zijn dat je nog een paar schoenen krijgt’, kreeg ik te horen. Tussen mijn vijftiende en mijn achttiende heb ik met een rode gebreide broek rondgelopen, terwijl al mijn vriendinnen een jeansbroek hadden. Ik voelde me zo slecht. (met trillende stem) Ik voelde me voortdurend wegwerpbaar.

“Dat werd ook zo tegen ons gezegd: ‘Als je niet braaf bent en niet luistert, kunnen ze je wegdoen.’ Als ik dan nu hoor dat Lorin Parys (Vlaams Parlementslid, N-VA, red.) pleit voor het optrekken van de maximumleeftijd voor pleegkinderen van 21 naar 25, kan ik het daar niet mee eens zijn. Zelf zou ik ook nooit pleegouder worden. Nooit. Je kunt de beste bedoelingen hebben, maar die leegte van zo’n kind kun je nooit opvullen.

“Als ik opnieuw kon kiezen, zou ik het liefst in een weeshuis gebleven zijn. Daar ben je gewoon een nummer dat gelijk is aan alle andere nummers. Als de mensen er vriendelijk tegen je zijn, je er goed onderwijs krijgt en een eigen kamer hebt, kun je je ontplooien zonder dat je het gevoel hebt dat je een aanhangsel bent. Ook al is het niet de bedoeling van pleegouders, in een pleeggezin ben je een wiel dat aan een kar geplakt is, en je zult nooit tot die kar behoren. Bij Manu en Maggie was het anders. Ik was negentien toen zij in mijn leven kwamen, ik heb nooit mama en papa moeten zeggen tegen hen. Zij zijn mijn vrienden.

“Maar om op je vraag te antwoorden: was ik krachtig? Ik voelde me helemaal niet krachtig. Ik voelde me vooral heel kwetsbaar. Ik vond dat ik niks waard was. Dat ik het lelijkste meisje op aarde was. Ook dat werd tegen mij gezegd.”

* Lees het volledige interview op demorgen.be.