Van Syrië naar België

Van Syrië naar België

    

Nadat Samir uit het Syrische Damascus is gevlucht, belandt hij in de herfst van 2015 in België. Hier werkt hij aan zijn tweede leven. Soms gaat dat goed, soms niet.
In januari 2016 - hij is dan 24 jaar - ontmoetten we elkaar voor de eerste keer. Sindsdien spreken we regelmatig af, om te praten over wat hij doet, en over wat hij denkt en voelt. Het verslag van onze ontmoetingen leest u hier
(Samir is een schuilnaam)

 

januari 2016

“In Damascus is het nu ook koud. Het is een geweldige stad. De oudste stad ter wereld, zo wordt gezegd, ze staat vol met monumenten. Het was een fijn leven daar. We konden alles doen wat we wilden. We konden gaan naar waar we wilden. We hadden vrijheid. Er was maar één iets wat je niet kon doen: in het openbaar kritiek geven op de regering of de president.”

Deze reeks moet hij anoniem doen, zegt hij. Zijn vader had een belangrijke functie in het Syrische leger, en is goed gekend door de regering. De Syrische inlichtingendiensten draaien volop, en als ze te weten komen dat Samir niet alleen naar België is gekomen om te studeren, gaat zijn familie misschien moeilijkheden krijgen.

We wandelen van de Antwerpse Grote Markt naar de Bourla, om er koffie te gaan drinken en te praten. Dat in dit theaterhuis permanent een zweem van Shakespeare hangt, vindt hij fijn. “Mijn favoriete stuk is 'Hamlet'. Ik weet nog dat ik het las, en dat ik op het einde – als Hamlet sterft na zijn laatste gevecht – moest huilen. Zo ontroerend.”

Ondertussen is hij 'Crime and Punishment' ('Schuld en Boete') van Dostojevski aan het lezen. “Aan het herlezen, eigenlijk, ik las het de eerste keer toen ik aan de universiteit zat. Wat me aanspreekt, is dat Raskolnikov, het hoofdpersonage, met zijn geweten worstelt en zich voortdurend afvraagt of hij wel het juiste aan het doen is. Dat twijfelen en dat schuldgevoel herken ik. Ik heb lang gedacht dat ik eigenlijk in Syrië had moeten blijven, en niet had mogen stoppen met de mensen daar te helpen. Maar toen ik in België aankwam, realiseerde ik me dat dit de juiste keuze was. Als ik in Syrië was gebleven, was ik wellicht gedood.”

In 2009 begon hij met zijn studies Engelse literatuur aan de universiteit van Damascus. “Ik had een ingang nodig tot een internationale taal, omdat ik op lange termijn internationale politiek en diplomatieke betrekkingen wilde studeren. Tegelijk studeerde ik Spaans aan het Spaans Cultureel Centrum van Damascus. Maar daar moest ik twee jaar later mee stoppen, toen het Centrum sloot. De leerkrachten gingen terug naar Spanje. Het leven werd te gevaarlijk.

“Toen de oorlog uitbrak in 2011, sloot ik me aan bij het Syrische Rode Kruis (Syrian Arab Red Crescent, red.). Terwijl ik studeerde, heb ik er twee jaar als vrijwilliger gewerkt, daarna werd het een betaalde job. Als je zoveel mensen ziet lijden, dan moet je iets doen.

“Ik begon als hulpverlener in een distributiecentrum van het Rode Kruis om gezinnen te helpen die dakloos waren geworden door de oorlog. Gezinnen die uit Homs kwamen, of van het platteland rond Damascus. Ze hadden niets meer om te eten, geen dak meer boven hun hoofd. Na het volgen van verschillende workshops en cursussen, werd ik negen maanden later eerstehulpverlener. Er was veel nood aan eerstehulpverlening. Veilig werken was het niet. We zaten midden in conflictgebied. Terwijl de mortiergranaten rondom ons insloegen, rukten we uit met de ambulances om slachtoffers te gaan helpen.”

In 2015 was hij klaar met zijn studies aan de universiteit. En dat was een probleem. “Elke Syrische jongeman die niet studeert, moet het leger in. Voor de oorlog uitbrak, moest je anderhalf jaar dienst doen, maar sinds 2011 was het opgetrokken naar vijf, zes jaar. Bij het Rode Kruis hielp ik mensen die slachtoffer geworden waren van het geweld. En dan zou ik in het leger op mensen moeten gaan schieten? Dat was onmogelijk voor mij. Ik wilde zelf ook niet doodgeschoten worden. En dus besliste ik te vluchten.

“Eigenlijk wilde ik naar Duitsland. Bij de Duitse ambassade in Beiroet deed ik een aanvraag om aan de universiteit van Duisburg te studeren. Maar het duurde te lang. De ambassade in Libanon stelde mijn aanvraag steeds weer uit. Ineens was het augustus, en in september werd ik verondersteld om bij het leger te gaan. Ik moest mijn land verlaten.”

Het leest als een typische vluchtelingentocht: van Beiroet namen Samir en drie vrienden het vliegtuig naar Turkije. Daar zochten ze een smokkelaar die hen per boot naar Griekenland kon brengen. Dertien uur spendeerden ze op de Middellandse Zee, maar de overkant werd gehaald. Vanuit het noorden van Griekenland reisden ze naar Macedonië, per trein dan naar Servië, Kroatië, Hongarije, Oostenrijk. Samir wou naar Zweden gaan, maar familie vertelde hem dat het tot anderhalf jaar kon duren voor je antwoord krijgt op je asielaanvraag in Zweden. En dus nam hij de trein naar Berchem.

“Ik woon nu bij een vriend in Antwerpen, maar ik wil graag een eigen plek. Enkele dagen geleden kwam ik in contact met een Algerijnse kunstenares die in Brussel woont, en zij gaat mij misschien een studio verhuren. Ik hoop dat het lukt. Brussel zou ook handiger zijn voor mijn studies. Ik zou graag aan de ULB gaan studeren. Of aan het College of Europe. Daarvoor ben ik nu een aanvraag aan het invullen. Ik hoop dat ik je volgende maand goed nieuws kan vertellen. Als ik tegen dan een eigen woonst heb, en de toelating heb gekregen om te gaan studeren, zal ik gelukkig zijn. Ik hoop ook dat ik tegen dan met taallessen Nederlands ben begonnen. En ik wil ook vragen of ik ondertussen geen vrijwilligerswerk kan doen voor het Rode Kruis. Vertaalwerk bijvoorbeeld. Ik spreek tenslotte Engels en Arabisch.”

Hoe vriendelijk, bescheiden en slim Samir ook is, vaak zal hij toch op één hoop worden gegooid met vluchtelingen die zich minder goed gedragen. In Keulen, bijvoorbeeld. De mannen die daar in groep vrouwen hebben betast en aangerand op oudejaarsnacht, zouden Syrische asielzoekers geweest zijn. Samir vindt het verschrikkelijk wat er in Keulen is gebeurd. “Duitsland, België en andere Europese landen geven ons de kans om een nieuw leven te beginnen. Ze helpen ons om onze dromen te doen uitkomen. We mogen de mensen hier dus niet teleurstellen. Ik heb hier ondertussen al veel mensen leren kennen, en ik zal ervoor zorgen dat ze mij een goed mens blijven vinden. Goed opgeleide vluchtelingen zijn een meerwaarde voor jullie gemeenschap, daar ben ik zeker van.

“In Syrië heb ik dit nooit meegemaakt. Er zijn geen voorschriften in mijn land om vrouwen of homo's anders te behandelen. Er is alleen de plicht om iedereen te respecteren. Dat is ook de kern van de islam. Ik ben dus erg beschaamd om wat er in Duitsland is gebeurd. Als bewezen is dat die mensen zich zo schandelijk hebben misdragen, dan moeten ze het land uitgezet worden. Ze hebben de kans gekregen op een beter leven, maar ze hebben die kans niet aangenomen.”

Er is zoveel te vertellen. Hoe besluit je dan de eerste aflevering van wat een verhaal van een jaar gaat worden? Samir doet het zo: “Ik zou aan de lezers nog willen zeggen dat het leven in Syrië geweldig was voor de oorlog. Maar dat we verplicht waren om ons land te verlaten. Ik ben niet naar hier gekomen voor geld. Ik ben naar hier gekomen om in leven te blijven. Ik wilde geen mensen vermoorden. Ik wilde niet deelnemen aan onmenselijkheid. Het is nu mijn verantwoordelijkheid om te laten zien aan de Belgen wie wij zijn. Ik wil hier mensen helpen. Net zoals ik in Syrië deed.”

En oh ja, dat de Belgische bieren top zijn, misschien moet dat ook nog gezegd. Westmalle en Duvel, de favorieten zijn al uitgekozen. En dan krijg ik twee zoenen. Tot de volgende keer, zegt hij. En hij bedankt de Belgen nog eens om naar zijn verhaal te luisteren.

— terug naar overzicht

 
 

februari 2016

Verrassend genoeg is het café best oké. Hij lacht. “Vorige week zat ik hier met een vriendin uit Brussel, en voor haar was het ook de eerste keer dat ze hier kwam. Ze zei me precies hetzelfde als jij nu.” Ik vertel hem dat het zo'n typisch toeristencafé lijkt, en dat het wellicht daarom door Brusselaars en zelfverklaarde Brusselkenners wordt gemeden. 

Het is een maand geleden dat we elkaar zagen. We praten bij, hij met een glas rode wijn, ik met koffie. Vorige maand droomde Samir ervan om zich in Brussel te kunnen vestigen, en dat is hemgelukt ondertussen. Hij huurt nu een studio in het huis van een Algerijnse kunstenares. “Een heel aardige vrouw. Haar man is een Belg. En ze hebben twee schattige dochters, van 13 en 15 jaar. Het voelt alsof ik nu bij een familie woon. Soms eet ik ook samen met hen, maar ik moet proberen om zoveel mogelijk zelf mijn eten te maken. Ik moet eraan gewend raken om alleen te leven. 

“Waarom ze die studio verhuren? Omdat ze het geld nodig hebben. Ze hebben een groot huis, dat veel onderhoud vraagt. Maar ook omdat ze willen helpen. Ik moet maar 350 euro betalen. Ze zouden veel meer kunnen vragen voor zo'n plek in Brussel. De studio heeft een houten vloer, veel ramen, veel licht, een goeie keuken en een nette badkamer.”

Hij zwijgt even. Praat dan nog wat zachter dan gewoonlijk verder. “Ik voel me soms wel een beetje eenzaam. Veel van mijn vrienden wonen in Antwerpen. Maar ik ben er zeker van dat ik hier snel mensen zal leren kennen. Brussel is een heel open stad. Ik heb hier trouwens al enkele vrienden, en ik bezoek hen zoveel mogelijk. Om mijn weg door de stad te vinden, gebruik ik mijn smartphone.” Hij glimlacht. “Ik ben de man van Google Maps dezer dagen. Het ziet er een beetje gek uit, want ik moet constant naar mijn telefoon kijken als ik door de stad loop.” 

Ergens in mijn handtas moet nog een papieren plan van Brussel zitten. Hij glimlacht. “Dat is natuurlijk ook een mogelijkheid, dank je.” 

Vorig weekend organiseerde een Franse vriend van hem een feestje in Brussel. Er waren Fransen, Spanjaarden, Italianen. “Mijn eerste feestje in Brussel. En voor de eerste keer voelde het een beetje alsof ik weer in Syrië was: dansen, drinken, lachen, een warme sfeer.”

Of hij zijn land en zijn familie mist? “Natuurlijk. Maar ik probeer nu toch vooral gewoon te raken aan mijn nieuwe plek en me te settelen. Ik zoek nog een microgolfoven, en wat pannen en potten, zodat ik zelf kan koken. Een tafel voor twee personen heb ik al in mijn studio, maar ik zou er graag een voor vier personen hebben, zodat ik vrienden kan uitnodigen en voor hen kan koken.

“Ik probeer me ook niet meer als een vluchteling te voelen. Wel als iemand die in België een nieuw leven gaat beginnen. Iemand die naar dit land is gekomen om te studeren. Als je je een vluchteling blijft voelen, ga je nooit integreren. Dan blijf je verward, en blijf je je een outsider voelen. Zo wil ik niet zijn. Ik wil hier mijn leven opbouwen.”

Zijn aanvraag voor The College of Europe is binnen, en ook aan het Rode Kruis heeft hij gevraagd of hij daar kan helpen. Hun voorlopige antwoord was positief, en de kans is groot dat hij een van de volgende weken als vrijwilliger bij het WTC zal werken, om te vertalen, mensen aan informatie te helpen of voedsel te verdelen. 

Ondertussen zet Samir zich ook in voor Cinemaximiliaan, een project van enkele Brusselaars die sinds september 2015 elke dag films vertonen voor vluchtelingen in asielcentra doorheen België. Samen met de stichters van dit filmproject probeert Samir nu een tentoonstelling op te richten met foto's en beeldend werk van kunstenaars en vluchtelingen. De werken zullen verkocht worden ten gunste van de crowdfundingsactie van Cinemaximiliaan. 

Zelf krijgt hij voorlopig nog geen uitkering van het OCMW, maar daar zou binnenkort verandering in moeten komen. “Het spaargeld dat ik had is stilaan op. Of mijn familie geld kan sturen? Nee, dat kan ik hen niet vragen. Het leven is daar verschrikkelijk duur geworden. Voor de oorlog was 1 euro 60 Syrische pond of lira's waard, nu is dat ondertussen 500. Mijn familie is al blij als ze voedsel kan vinden, en als ze het dan ook nog kunnen kopen.”

Samir kreeg een permanente verblijfsvergunning, hij zou dus ook werk kunnen zoeken in België. “Dat klopt, maar ik wil eerst focussen op mijn opleiding, zodat ik later een goede job kan vinden met een goed loon. En zodat ik later kan bijdragen aan de toekomst van Syrië. Als ik hier een goed diploma kan behalen, kan ik een essentiële rol spelen in de heropbouw van mijn land. Dat is mijn uiteindelijke doel.” 

Elke dag nog volgt hij het nieuws over Syrië. Het is moeilijk, zegt hij. Het is nu zes jaar oorlog, en er verandert niets. Onderhandelingen leveren niets op. Integendeel, steeds meer mensen lijden en sterven. Het is een wespennest geworden. “Mijn familie en vrienden zijn nog veilig, maar ik weet niet of dat zo gaat blijven.” 

Voel je je ondertussen thuis in België, vraag ik hem. Hij aarzelt bij die vraag. En terwijl hij antwoordt, ziet hij er broos uit. “Mijn familie en mijn vrienden lijden, ik ben veilig hier, maar mijn hart is nog altijd daar. Ik probeer me thuis te voelen, maar het is moeilijk.” Dan herpakt hij zich. “Maar he, ik ben oké. Tenslotte ben ik ook nog maar vier maanden in België, en nog maar enkele weken in Brussel. Ik denk dat ik gewoon wat tijd nodig heb. Weet je trouwens dat ik al gekookt heb voor de eigenaars van het huis waar ik nu woon? Een complete, heerlijke Syrische maaltijd. Dat vonden ze geweldig. Enkele dagen geleden hebben zij mij dan zelfbereide pannenkoeken voorgeschoteld. Heerlijk. Vooral als je ze met chocolade eet. Ik kijk ernaar uit om ze binnenkort zelf te maken. Eerst nog die potten en die pannen vinden.”

— terug naar overzicht

 
 

maart 2016

Zijn vrienden lachten zich een bult toen ze het hoorden, en zelf moet hij ook nog altijd schateren als hij het vertelt. “Zeven uur heb ik rondgelopen in Ikea. Zeven uur in twee verdiepingen vol met spullen. Het kostte me vier uur om te beslissen wat ik wilde, en dan nog eens drie uur om alles bij elkaar te zoeken in de rekken. Ik ben bijna gek geworden.” 

Hij is merkbaar vrolijker en weerbaarder geworden. De lente – eindelijk – zit ook in zijn ogen. De vintage look van de studio die hij in Brussel huurt van een Algerijnse kunstenares en haar Belgische echtgenoot heeft hij smaakvol aangevuld met enkele Zweedse stukken in rood en oranje. “Ik hou van kleur. Ik ben blij dat je het hier mooi vindt. Als ze wilde, zou de eigenares meer geld kunnen vragen dan wat ik ervoor betaal. Maar ik denk dat het haar niet in de eerste plaats om het geld te doen is. Ik denk dat ze vooral wil helpen. De Belgen zijn zo vriendelijk. Onlangs was ik ziek, ik had griep. Ik moest naar een dokter. Mijn aanvraag voor de socialistische mutualiteit heb ik een tijd geleden al gedaan, maar het is nog niet in orde. Ik hoefde nu niet te betalen, zei de dokter, dat zou me te veel geld kosten zonder ziekteverzekering. 'Als je verzekerd bent, kom je maar eens terug, dan regelen we het wel.' Zo behulpzaam dat de mensen zijn, ongelooflijk.” 

We drinken groene thee. 'Bien-être' staat te lezen op de doos. Hij serveert de thee met een dik plak chocolade. Duitse chocolade. “De Belgische is veel lekkerder, ik weet het. Maar deze is het goedkoopst in de Lidl.” 

Er zijn veel dingen om over te praten deze maand, zegt hij. Hij glanst. “Het beste nieuws is dat ik de preselecties voor The College of Europe heb gehaald. Het is geweldig. Ik ben zeer hoopvol dezer dagen. De preselectie halen betekent al wel iets, want ze krijgen veel aanvragen. Deze maand nog heb ik een interview, en dan zou ik voor eind mei moeten weten of ik toegelaten word. De voorbije dagen heb ik me dus volop geconcentreerd op lezen en studeren over de Europese Unie en de Europese instellingen.” Misschien weet Samir ondertussen meer over hoe Europa functioneert dan de gemiddelde Europeaan. 

“Een Italiaanse vriendin van mij werkt bij de Europese Unie, en zij begeleidt me hierin. Ze zullen me misschien vragen stellen over de vluchtelingencrisis, over de Europese instellingen, ik weet het niet, maar ik probeer me zo goed mogelijk voor te bereiden. Dit is in elk geval de eerste stap. In mijn motivatiebrief heb ik geschreven dat ik deel wil uitmaken van de heropbouw van Syrië, en dat we een sterk politiek orgaan nodig hebben voor de toekomst van Syrië. Wij zijn de generatie die verantwoordelijk zal zijn voor het herstel van de relaties met de EU en de VS. Want momenteel zijn die relaties verloren.” 

We hebben het nog even over zijn leven in Brussel. Alles gaat zijn gang al. Hij kent steeds beter zijn weg in de stad, zijn toelage van het OCMW is ondertussen in orde, nu is het enkel nog wachten op zijn identiteitskaart en een reisvisum. Het eerste heeft hij nodig om zich in te schrijven voor de lessen Nederlands aan de VUB, het tweede voor een citytrip naar Barcelona die begin volgende maand gepland staat. “De administratie hier duurt wel lang.” 

Maar we hebben het vooral over zijn vaderland. 'Vijf jaar oorlog' koppen de media dezer dagen. En dan is er net nu een omstreden vluchtelingendeal met Turkije. Zeer zorgwekkend, zegt hij, en de vrolijkheid van daarnet maakt plaats voor sombere ernst. “Het is onwettelijk om groepen mensen vanuit Griekenland terug te sturen naar Turkije. Dat heeft ook de VN-Vluchtelingenorganisatie gezegd. En bovenal is het een verraad van de Europese waarden. Niemand vertrouwt Turkije. Het is een dictatuur. Het land veegt zijn voeten aan persvrijheid en mensenrechten. Hoe kun je nu zo'n land vertrouwen om met vluchtelingen om te gaan?” 

Het betekent dat Europa tot veel bereid is om de vluchtelingen zoveel mogelijk buiten te houden, leg ik hem voor. “Ik besef dat het een moeilijke kwestie is voor Europa, maar er moet een andere oplossing mogelijk zijn dan deze. Turkije profiteert gewoon van deze crisis. Het is niet omdat ze zo humaan zijn dat ze meer vluchtelingen naar Turkije willen brengen, maar omdat ze de druk willen opvoeren om uiteindelijk bij de EU te horen.” 

Of hij teleurgesteld is in Europa? Hij twijfelt even. “Nee. Europa doet al heel veel voor de vluchtelingen. Maar er zijn meer mensen die hulp nodig hebben. Geen enkele Syriër wil in Turkije blijven. Je kunt toch niet de ene dictatuur ontvluchten om dan in een andere terecht te komen? Natuurlijk is er een verschil, er is geen oorlog in Turkije, maar de akelige gelijkenis is wel dat beide regeringen voortdurend mensenrechten schenden.”

Alle vluchtelingen opnemen wordt natuurlijk moeilijk voor Europa. “Dat begrijp ik. Het kost veel, en het is een ingewikkelde materie, maar Europa is een krachtige unie, ze zouden andere oplossingen moeten kunnen vinden. De oorsprong van het conflict moet worden opgelost. Europa moet de druk opvoeren op de strijdende partijen om een oplossing te vinden. Dat zou duizend keer beter zijn dan deze schandelijke overeenkomst met Turkije.

“Weet je wat echt gevaarlijk is? De mensen in Syrië zijn zelfs niet meer geïnteresseerd in democratie. Ze zijn uitgeput door de oorlog. Ze willen gewoon rust. Ze willen hun leven terug. Zelfs als Assad blijft, zelfs als er geen democratie meer zal zijn: ze willen gewoon weer veilig zijn. En dat is exact wat het Syrische regime heeft beoogd: het volk uitputten, zodat het uiteindelijk alles zal aanvaarden. Weet je dat mensen zelfs niet meer beseffen waarom de revolutie vijf jaar geleden begon?” 

Onder invloed van andere protesten in de regio, de zogenaamde Arabische Lente, begon op 15 maart 2011 ook in Syrië een opstand. De Syriërs eisten politieke hervormingen van het regime-Assad. Dat antwoordde met een bloedige repressie. De gewelddadige conflicten mondden uiteindelijk uit in een burgeroorlog en een kluwen van strijdende partijen. 

Zijn familie is nog altijd veilig, zegt Samir. “Ze lijden onder het dure leven, maar door de wapenstilstand is het momenteel toch iets rustiger. Nochtans weet iedereen dat de boel op elk moment weer kan ontploffen. Er moet eindelijk een overeenkomst worden bereikt tussen de regeringstroepen en de oppositie. Ik reken op de onderhandelingen in Genève. Ik hoop dat er eindelijk een lichtpunt zal zijn als we elkaar volgende keer zien en over mijn land spreken.”

— terug naar overzicht

 
 

april 2016

“How are you, Sofie? How is your life going?” Galant als hij is, komen de eerste vragen altijd van hem als we mekaar om de vier weken zien. Zelf heeft Samir trouwens steeds minder vragen nodig om zijn verhaal te doen. 

Koud buiten, zegt hij, en dus bestelt hij een glas warme chocolademelk. Dat een lente in België geregeld kuren heeft, dat weet hij ondertussen ook. Enkele dagen geleden, op de eerste écht warme zaterdag van het jaar, wandelde hij nog door het Hallerbos met enkele vrienden. “Die duizenden kleine blauwe bloemen, prachtig gewoon. We hebben de boswachter zelfs ontmoet, hij heeft ons van alles verteld. Wist je bijvoorbeeld dat tijdens de Eerste Wereldoorlog bijna heel het bos gekapt is? De Duitsers gebruikten het voor houtproductie en brandhout.

“Zeker vijf uur hebben we gewandeld die dag. En toen roken we ineens wafels. We besloten die geur te volgen, en uiteindelijk kwamen we uit bij een wafelkraam. Geweldig. Ik hou van de Belgische zoetigheden.” 

Normaal gezien had hij in Barcelona moeten zitten nu, maar zijn geplande citytrip is in het water gevallen omdat zijn visum en identiteitskaart nog altijd niet in orde zijn. “Alles wat met papieren te maken heeft, gaat traag in België.” Hij glimlacht erbij. Geen probleem, zegt hij, hij heeft geduld, en Barcelona kan altijd nog. Een van de komende weekends gaat hij in de plaats daarvan kamperen met een aantal vrienden. “Ergens in de buurt van Antwerpen.”

Ondertussen heeft hij ook een tweede bezoek gebracht aan het Europees Parlement. Via een vriendin van hem die daar werkt, heeft hij iemand ontmoet die voor het ICRC werkt, het International Committee of the Red Cross. “We gaan bekijken of ik er een stage zou kunnen lopen, of vrijwilligerswerk zou kunnen doen.” Hij wil stilaan iets te doen hebben. Er zijn dagen dat hij er veel op uit trekt, maar er zijn ook dagen dat zijn agenda leeg is. En dan wordt het moeilijk. “Ik haat het om me nutteloos te voelen.” 

We zitten in Le Cirio, een van de oudste brasserieën van Brussel, die bekendstaat om zijn prachtige decor van eind negentiende eeuw en zijn 'demi-demi' (een glas voor de helft gevuld met cava en voor de andere helft met witte wijn). We zitten aan het raam, en kunnen het Beursplein zien, dat ook rond half april nog altijd is bedekt met bloemen, boodschappen en vlaggen. 

Het was een onwezenlijke dag, zegt hij, die 22ste maart. “Ik werd wakker rond elf uur 's morgens, en deed wat ik altijd doe: thee zetten, mijn mail checken, mijn telefoon weer aanzetten. In een halve minuut tijd zag ik dat er aanslagen waren gebeurd en dat ik talloze oproepen en berichten had gemist. 'Waar ben je?', 'Ben je veilig?', 'Laat iets weten!'. Het was onvoorstelbaar. Alsof ik weer een oorlogsdag in Syrië beleefde: je ontwaakt, je hoort dat er een explosie is gebeurd, en dat er onschuldige mensen zijn gestorven. 

“Familie en vrienden die in paniek zijn en je aanraden om binnen te blijven terwijl ze zelf in Damascus wonen, kun je je dat voorstellen? Het was absurd. Ik heb de hele dag niets anders gedaan dan het nieuws gevolgd, en ben vanaf woensdag vier dagen op rij naar de Beurs geweest 's avonds. Het was heel knap om te zien hoe sterk het Belgische volk is. Er werd gezongen, mensen pakten elkaar vast. Ook voor mij was het heel troostend. Ik voelde me zo triest. Maar het leven moet verdergaan. Mijn vrienden belden me na enkele dagen: kom, we gaan de stad in, we gaan iets drinken. Dat deed deugd. Nochtans hebben we de hele tijd over de terreur gepraat. Waarom is het gebeurd, wie is verantwoordelijk, wat is de achtergrond van deze terroristen, wat is hun ideologie, waarom zijn ze geradicaliseerd?

“Tot welke conclusies we gekomen zijn? Al die mensen zijn opgegroeid in België. En toch zijn ze naar Syrië gegaan om te gaan vechten. Daar moet iets aan gedaan worden. Integratie is heel belangrijk. Ook voor nieuwkomers. Maar dat betekent ook dat de overheid ervoor moet zorgen dat die mensen oké zijn. Dat ze iets te doen hebben, dat ze toegang hebben tot het onderwijs en de gezondheidszorg, dat ze kunnen studeren, zodat ze hoop hebben, en beseffen dat het leven hier en nu zo belangrijk is. 

“Natuurlijk is het niet alleen de overheid die moeite moet doen. Het is in de eerste plaats een individuele verantwoordelijkheid. Onze vorige tentoonstelling van Cinemaximiliaan heeft ook in Hasselt gelopen, in kunstencentrum Z33. Ik kwam daar een Irakese vluchteling tegen, en hij mopperde over het feit dat de overheid in Duitsland zelf stappen zet naar de vluchtelingen om hen te begeleiden, iets wat in België veel minder gebeurt. Ik zei hem dat ik begreep wat hij bedoelde, maar dat ik ondertussen wel al duizend mogelijkheden heb om iets met mijn leven aan te vangen in België. Dus ja, het is ook je eigen verantwoordelijkheid. Ik zorg ervoor dat ik mensen leer kennen, dat ik mijn netwerk uitbouw. Als je de hele dag thuis op je stoel blijft zitten, gebeurt er niks. 

“Maar als je de terreur wilt oplossen, dan moet je volgens mij naar de wortels van het probleem, en die liggen in Irak en Syrië. Zolang de oorlog daar voortduurt, zal er terrorisme zijn.”

Vijf jaar geleden begon de revolutie in Syrië, de opstand tegen Assad, en ik vraag Samir of hij toen ook actief heeft deelgenomen aan de protesten. Nee, zegt hij. Zijn hart ging uit naar de opstand, maar het zou te gevaarlijk zijn geweest voor hem. Hij woonde in Damascus, dat gecontroleerd werd door het Syrische leger. Zijn eigen vader had een hoge functie in dat leger. “Als ze erachter gekomen zouden zijn dat ik mee tegen Assad zou protesteren, zou mijn familie in groot gevaar zijn. Van de jongeren uit Damascus die wel deelnamen aan de revolutie, zijn er veel vermoord, gefolterd of in de gevangenis gegooid. Of hun familieleden werden opgepakt. Ik heb op mijn manier bijgedragen aan de revolutie, denk ik, door bij het Rode Kruis te gaan, en zo de slachtoffers van het conflict te helpen.”

Hij valt even stil. Een paar dagen geleden voelde hij zich heel slecht, zegt hij uiteindelijk. “Ik dacht: hoe is het eigenlijk mogelijk dat ik mijn land ben moeten ontvluchten wegens één man? Ik kan dat nog altijd niet begrijpen. Ik ben hier graag, ik maak plannen, ik ben echt gemotiveerd om iets te maken van mijn leven hier, maar het blijft onvoorstelbaar dat je ineens verplicht bent om naar een ander land te vluchten, waar je de straten niet kent, waar geen familie en geen vrienden zijn, waar je de taal niet spreekt. 

“Miljoenen mensen lijden door één man. Het is de realiteit, en ik moet die aanvaarden, maar het doet nog steeds pijn. Maar, zoals ik daarstraks al zei, een mens moet hoopvol zijn. Ik heb me dus opnieuw gefocust op de positieve dingen. Mijn familie is voorlopig nog veilig, ik ben veilig, ik kan toekomstplannen maken. Daar ben ik heel dankbaar voor. En ik blijf hopen dat het ooit beter wordt. Dat moet iedere mens blijven doen.”

— terug naar overzicht

 
 

juni 2016

“Ik heb slecht nieuws”, zegt hij. “Mijn aanvraag om aan College of Europe te studeren is op niks uitgedraaid. Vooral de taal was een probleem. Veel lessen zouden in het Frans gegeven worden, en ik spreek geen Frans. Een dag lang heb ik me er slecht door gevoeld. En toen dacht ik: ik heb moeite gedaan, maar misschien moet ik nog meer moeite doen. Dus heb ik nu voor drie andere universiteiten gekandideerd: voor een bachelor sociale wetenschappen aan de VUB, voor een master politieke wetenschappen aan de ULB, en voor conflictstudies aan de universiteit van Bradford in het Verenigd Koninkrijk. 

“Het liefst zou ik de master doen aan de ULB. De lessen zouden daar in het Engels zijn. Als dat niet lukt, en ik moet bijvoorbeeld kiezen tussen VUB en Bradford, dan verhuis ik voor een jaar naar Engeland. Een bachelor heb ik al. Ik wil dus beginnen aan een master. Ik heb recht op dat niveau hoger, vind ik. Een vriend van de eigenares van wie ik de studio huur in Schaarbeek, is professor aan de ULB, hij heeft me geholpen bij de procedures om me kandidaat te stellen. Daar ben ik hem heel dankbaar voor.”

Wat positiever nieuws dan: hij heeft zijn identiteitskaart. Eindelijk. Hij laat ze zien. Ik vraag of hij blij is nu. Hij twijfelt even. Hij glimlacht wel, maar de teleurstelling staat duidelijk te lezen op zijn gezicht. Hij wijst naar het vakje 'nationaliteit' en wat daaronder staat: 'refugee'. 

“Het is de waarheid, ik weet het, maar ik ben echt trots op mijn Syrische nationaliteit. Ik weet dat het internationale afspraken zijn om dit zo te doen, maar in de toekomst, over vijf jaar, kan ik de Belgische nationaliteit aanvragen, en dat gaat toch beter zijn.

“Maar goed, het belangrijkste is dat ik eindelijk aan mijn lessen Nederlands kan beginnen nu ik mijn identiteitskaart heb. Eind mei heb ik mijn eerste les. Ik kijk ernaar uit. Het gaat makkelijker zijn om mensen te bereiken als ik Nederlands ken. En daarna wil ik Frans leren.

“Dus ja, na de teleurstelling over College of Europe heb ik mijn energie weer teruggevonden, en heb ik voortgedaan. Of ik sterk ben? In zulke omstandigheden moet je sterk zijn. Ik moet ineens aan een gezegde denken: je weet niet hoe sterk je bent tot het nodig is om sterk te zijn. Wel, sterk zijn is de enige keuze die ik heb.

“Ik had me nooit voorgesteld dat ik dit allemaal zou doormaken. Voor de oorlog in Syrië was mijn leven een pak gemakkelijker. Er waren mensen die me hielpen als ik ziek was of in nood verkeerde. Mijn familie, mijn vrienden. Hier heb ik ook veel mensen die me steunen. Maar soms ben ik ook alleen. Dus ja, ik moét sterk zijn.” Hij zwijgt even. “Ik wil echt graag beginnen te studeren aan de universiteit. Zodat mijn leven hier ook een doel heeft.”

We zitten op een terras op het Muntplein. En ineens, zoals dat gaat in Brussel, zitten we in een lawine van politiesirenes. De mensen kijken op. Niet omdat ze angstig zijn, maar omdat het lawaai hun gesprekken verstoort. 

“Ik heb hier ondertussen vrienden uit België, Nederland, Denemarken, Frankrijk, Duitsland, Zweden, Engeland, Spanje en Italië. Ook dat is iets wat ik me nooit had voorgesteld, dat ik zo'n groot netwerk zou hebben. Het is eigen aan Brussel. Maar voor mij als Syriër is het nieuw. Daarom hou ik zo van deze stad. Daarom houdt iedereen toch zo van deze stad?” 

Het idee dat iedereen van Brussel houdt, moet ik enigszins nuanceren. Dat mensen uit andere plekken van het land deze stad soms verachten, begrijpt hij niet. “Zo'n prachtige, internationale stad, dat is toch waar elk land van droomt?” 

En toch zou hij het overwegen om deze stad dus te verlaten voor het Verenigd Koninkrijk, als dat moet. “Het programma in Bradford is echt op mijn lijf geschreven: conflict, armoede, diversiteit, internationale organisaties. Eind juni ga ik horen of het iets wordt.” Dat hij dan weer, voor de tweede keer eigenlijk, van nul zou moeten beginnen, leg ik hem voor. Hij wordt even stil. “Ja, dat weet ik. Maar voor zo'n programma wil ik dat nog wel eens doen.”

Hoe het ondertussen in Damascus is? Zijn familie is nog steeds relatief veilig, maar het leven is er verschrikkelijk duur geworden. Voor hetzelfde voedsel betaal je nu bijna tien keer meer dan voor de oorlog. En in andere gebieden in Syrië is de miserie nog steeds waanzinnig groot. “Eigenlijk is er nog altijd niks veranderd. Diplomatieke gesprekken halen blijkbaar niets uit. Ik begrijp dat niet. Ik begrijp niet dat internationale organisaties de druk niet kunnen opvoeren op het regime in Syrië, of op Rusland om te stoppen met bombarderen. Er moet een dubbele agenda achter zitten. Volgens mij moet er een soort van overeenkomst zijn tussen de VS en Rusland. Zij zijn de grootste spelers in dit conflict. Troepen sturen naar Syrië doen de VS niet, maar ze verkopen wel wapens. De wapenexport is het meest gestegen onder het bewind van Obama, las ik.” 

Hij kucht. Hij aarzelt even. “Naar mijn mening probeert Amerika van Syrië een zwak land te maken, omdat het Israël ten goede zou komen.” Hij kucht opnieuw. Kijkt wat schichtig om zich heen. Hij huivert zelfs wat. “In Syrië mag je het woord 'Israël' niet uitspreken. Je kunt er zelfs voor gedood worden. Ik ben in Brussel nu, ik weet het, maar het doet toch raar. Het feit dat ik er nu wel publiekelijk over kan spreken, is compleet nieuw voor mij. Ik blijf denken dat de inlichtingendiensten horen wat ik zeg.   

“In Syrië beschouwen ze Israël als een van de ergste vijanden, door de verovering van de Golanhoogten tijdens de Zesdaagse Oorlog in 1967, en alles wat daaruit is voortgevloeid. Maar de jongste generatie Syriërs denkt er eigenlijk niet zo over. Wij vinden Israël niet de grootste vijand. Natuurlijk veroordelen we de bezettingspolitiek in Palestijns gebied, maar we haten Israël niet. 

“Ik zou graag eens een jonge Israëliër ontmoeten, om te weten hoe zij denken over ons. Ook voor hen zal het niet makkelijk zijn. Syrië steunt Hezbollah, een van de ergste vijanden van Israël. Door Hezbollah hebben veel Israëli's vrienden of familie verloren. 

“Al sinds ik een kind ben, hoor ik dat Israël de grootste vijand is, en dat we ertegen moeten vechten. Maar die oorlog is allang geleden. Het teruggeven van de Golanhoogten, wat Syrisch land is, moet toch ook door onderhandelen kunnen gebeuren? Stabiele relaties met Israël zouden goed zijn voor Syrië en het hele Midden-Oosten, dus waarom zou je dat niet proberen te bereiken? Deze spanning is voor niemand goed. 

“Van de Israëli's kun je nu ook niet meer verwachten dat ze hun land verlaten. Dat zou onmogelijk en oneerlijk zijn, met al die generaties mensen die er geboren en opgegroeid zijn. Stel dat ik over twintig jaar de Belgische nationaliteit heb, dat ik hier gestudeerd heb, werk heb en een gezin heb gesticht. Als er dan tegen mij gezegd zou worden dat ik het land moét verlaten, zou dat vreselijk zijn.” 

Hij drinkt even van zijn glas versgeperst sinaasappelsap. Genoeg over politiek. We hebben het over de plekken in Brussel die hij al gezien heeft, het debat waaraan hij deelnam op kunstenfestivaldesarts, de plannen die hij heeft de komende dagen, de zon die eindelijk volop schijnt. “De dingen veranderen. Het weer is al beter. En met mij gaat het ook steeds beter, zo lijkt het.”

— terug naar overzicht

 
 

september 2016

Hij straalt. Het is september, de nazomer is heerlijk, en hij mag beginnen te studeren aan de ULB. “Ongelooflijk. Een master in de politieke wetenschappen. Dit voelt zo goed. Maar het is nog maar het begin. Ik heb veel hoop en dromen over wat dit teweeg zal brengen.” 

Twee verplichte vakken zal hij hebben, en zes keuzevakken. Die klinken zo: Russian politics, Foreign policy analysis, Election and participation, International actors, Migration regimes, Current affairs in developing countries. “Als ik me achteraf wil specialiseren in internationale betrekkingen, is dit de beste keuze. Ik ga ineens ook Franse les volgen. De cursussen zullen in het Engels zijn, maar er wordt verwacht dat je ook Frans kunt. Dat begrijp ik. En ik kijk ernaar uit om de taal te leren. De Nederlandse lessen zijn dus even on hold gezet. Het is geen afstel, ik hou nog steeds van die taal, maar het zou wat te veel zijn. Met mijn Vlaamse vrienden blijf ik ondertussen wel oefenen. En ik ga een schriftje kopen om notities te nemen, en wat woorden en zinnen op te schrijven die ik kan gebruiken in het dagelijkse leven. Ee beetje zelfstudie, dus.”

De opleiding aan de ULB duurt één jaar. Als hij slaagt, heeft hij achteraf twee opties: ofwel een advanced master volgen, ofwel een phd. “Maar het laatste is vooral voor mensen die willen lesgeven aan de universiteit. Dat is mijn doel niet. Ik wil dingen te veranderen in de politiek. Of ik tenminste toch proberen.”

Uiteraard is zijn familie erg blij voor hem. Zijn vrienden ook. Maar zo uitzonderlijk zou het niet mogen zijn, vindt hij. “Aan de VUB studeren er zeven of acht vluchtelingen, aan de ULB een drietal. Dat maakt me bezorgd. Er zijn veel meer vluchtelingen die dit kunnen. Waarom doen ze het dan niet? Omdat ze niet weten dat het kan?”

Of misschien omdat ze er nog niet aan toe zijn, opper ik. Dat zou kunnen, zegt hij. “Het is tenslotte nog maar een jaar geleden dat we zijn gevlucht. Misschien zijn ze nog volop bezig met andere beslissingen te nemen om hun leven hier wat vorm te geven. Maar dan hoop ik toch dat ze het volgend jaar zullen overwegen. Ik heb natuurlijk ook veel hulp gekregen, van mijn vrienden hier en mijn huisbazin. Als je zulke contacten niet hebt, is het moeilijk. Zouden de universiteiten daar niks aan kunnen doen? Of misschien moet ik zelf een informatiecampagne beginnen. Jonge mensen moeten een project hebben. Het zou zonde zijn als ze afhankelijk worden van de bijstand die de overheid voorziet. Je kunt veel kansen krijgen in België, maar je moet de kansen wel willen grijpen. O, trouwens, ik heb nog iets bij. We kunnen het delen. Een appelleflap.” 

Zijn uitspraak is helder en mooi. En die extra lettergreep is grappig. ‘Slaap wel, droom zacht’, stuurde hij onlangs nog in een bericht. En nu zegt hij trots dat hij in de enkele lessen Nederlands die hij gevolgd heeft de enige was die de zachte ‘g’ kon uitspreken. 

Zoals bijna elke Belg is hij in de zomer op reis gegaan. Naar Frankrijk. (Ook een beetje zoals bijna elke Belg.) Samen met een vriendin is hij naar de Drôme getrokken. En bezocht hij Nancy, Dijon, Bordeaux en Avignon. “Op die stad ben ik dol. Het Palais des Papes, hoe fantastisch mooi is dat. Het was fijn om nu eens als een toerist te kunnen reizen, na de tocht die ik vorig jaar heb moeten ondernemen. Maar het was wel gek dat ik Brussel zelfs een beetje miste terwijl ik in Frankrijk was. Blijkbaar voel ik me hier echt thuis ondertussen.”

Ook op reis sijpelde er nieuws binnen. Via de smartphone, of de autoradio. Het debat over de boerkini, dat ontstond in het land dat hij op dat moment aan het doorkruisen was, bereikte hem en zijn vriendin ook. “We hebben er over gediscussieerd. Ze was boos op mij. Ik ben zelf een moslim, maar ik vind het verkeerd dat conservatieve moslims zich vastklampen aan dit soort van ideeën over kledij, en dus in honderd jaar tijd niet geëvolueerd zijn, terwijl de wereld wél geëvolueerd is. Ik geloof ook niet dat veel vrouwen er vrijwillig voor kiezen. De meesten worden verplicht door hun echtgenoot of hun vader, en uit de familie gestoten als ze geen boerkini dragen.” 

Europese landen hebben gelijk als ze die zwemkledij verbieden, vindt hij. Maar zijn vriendin, een Vlaamse, was het daar dus niet mee eens. “Hoe vrij is een bikini, vroeg ze mij. Ik begrijp die vraag, maar in Europa is de bikini tot een gewoonte uitgegroeid. Vrouwen moéten hem ook niet dragen. Als Europa de boerkini verbiedt, bestaat de kans tenminste dat er een revolutie ontstaat bij vrouwen die verplicht werden om hem te dragen. Want ik denk niet dat ze nooit meer naar het strand willen. Enkel door een verbod kan er in mijn ogen dus iets veranderen. Ik ben trouwens ook blij dat mijn zussen geen hoofddoek dragen.”

Nog altijd probeert hij alles te weten te komen wat er in zijn thuisland gebeurt. Door zo veel mogelijk nieuwsbronnen te volgen, en contact te houden met zijn vrienden en familie in Damascus. “Het Rode Kruis wordt tegenwoordig gecontroleerd door het regime. De man die mij er heeft opgeleid, is enkele weken geleden gearresteerd en naar het leger gestuurd. Hij was iemand die de hele bevolking probeerde te helpen, maar het Syrische regime wil dat het Rode Kruis alleen de mensen helpt die het regime steunen. Men wil niet dat het een neutrale organisatie is.”

Hij beseft dat het vreemd moet zijn voor zijn vrienden, zegt hij, om te zien dat hij veilig is in België, dat hij zijn leven weer probeert op te pakken, terwijl zij nog altijd in een oorlogsland leven. Voor Samir zelf is het ook vreemd. “Ik hoor hen elke week, om te vragen hoe het met hen gaat, om te zeggen dat ze voorzichtig moeten zijn, dat ze moeten blijven proberen om uit het leger weg te blijven. Maar het wordt moeilijker en moeilijker. Het leger verliest veel soldaten, en ze willen jonge mensen ter vervanging.” Hij zwijgt even. “Ik weet dat mijn vrienden blij zijn voor mij en de anderen die naar Europa zijn gevlucht. Maar ik weet ook dat ze niet blij zijn met hun eigen leven. En dat is soms moeilijk, ja. Ze zouden allemaal de kans moeten krijgen om hun leven op een andere plek weer op te bouwen.” 

En dan vertelt hij nog hoe hij ook het bericht hoorde begin deze maand dat er drie Syriërs in Duitsland waren gearresteerd omdat ze een aanslag wilden plegen in Düsseldorf en banden hadden met IS. “Ik was zo beschaamd. Zulke zaken zijn niet goed voor het imago van de vluchtelingen. Dat bleek ook uit de commentaren op sociale media. Maar ook ik begrijp niet waarom ze deze plannen hadden. Europa heeft vluchtelingen geholpen. Het is een schande om dit continent dan schade toe te brengen. Als vluchteling moet je je integreren en een bijdrage leveren aan het land waar je bent opgevangen. Dat is het minimum, vind ik.”

— terug naar overzicht

 
 

januari 2017